HET VRIJDAGINTERVIEW JAN WILLEM VAN OPSTAL

‘Ik wil mensen een onvergetelijke herinnering bezorgen’

Vermakelaar in Ontroerend Goed

Jan Willem van Opstal Foto: Gerard Verschooten

Of je hem nu een koksmuts, een mijter of een middeleeuwse baret opzet, het past hem allemaal. Accordeon, gitaar, piano? Hij bespeelt ze. Oesters of een 6-gangen menu? Hij bereidt ze met liefde. Jan Willem van Opstal is theatermaker, muzikant/zanger en culinair kleinkunstenaar. Onder meer.

De Gelderlander
Claudia Fitsch Nijmegen 29-11-19
Nijmegen 29-11-19
Jan Willem van Opstal is in Nijmegen vooral bekend als muzikant en ‘zingende oesterman’. Maar als je zijn cv leest, word je duizelig van alle activiteiten.

Je werkte in een circus, had als ‘middeleeuwse troubadour’ Yann Lawick een theaterprogramma, maakte CD’s. Maar je hebt ook ervaring in de zorg, begeleiding en kinderopvang.

Veel is toevallig zo gelopen. Mijn oudere zus, Jeanine, heeft het syndroom van Down. Vroeger, thuis, ging ik haar steeds meer begeleiden, bracht ik haar naar muziek- en dansles. Toen haar docenten stopten, nam ik het tijdelijk over, als muziekbegeleider en dansdocent. Tenminste, dat was de bedoeling, maar het werden een paar jaar. Zo ben ik uiteindelijk ook activiteitenbegeleiding gaan doen in de zorg.
Ik rolde daarna via werk en vrijwilligerswerk van het één in het ander en dan wilde ik een diploma op dat gebied. Activiteitenbegeleiding, muziektherapie, educatief werk. Ik heb veel geleerd, maar soms bleek dat een opleiding niet datgene bood wat ik zocht, zoals de kunstacademie.

Door jouw studie aan de Kopse Hof belandde je in Nijmegen?

Ja. Ik deed muziektherapie, totdat het dak van mijn huis waaide op een moment dat ik even weg was. De storm had mijn werkstuk, dat op de piano lag, ‘all over’ Lent geblazen’, waar ik woonde. In die tijd had ik nog geen computer en de moed ontbrak me om opnieuw te beginnen. Dus besloot ik over te stappen op de studie ortho-agogisch werk.
Ik blijf me ontwikkelen. Mijn jongste diploma is van juni dit jaar. De afgelopen jaren heb ik in Antwerpen aan de PIVA Hotelschool een ambachtelijke, klassieke koksopleiding gedaan. Daar leer je de fundamenten van het vak.

Je bent veelzijdig: kok, acteur, clown, muzikant, liedschrijver, ‘zingende oesterman’. Is muziek een rode draad?

Ja. Van huis uit hoorde ik veel klassieke muziek, mijn vader speelde piano en blokfluit, mijn moeder citer. Mijn vroege jeugd heb ik doorgebracht in het Bretonse vissersdorp Lesconil, waar mijn ouders onderzoek deden naar een bepaalde bacterie die op zeewier groeit. In Lesconil zat ik als baby soms in de box in café Ty-An-Aod, samen met het zoontje van de café-eigenaar. Mijn ouders waren bevriend met de cafébaas en zijn vrouw. Alan Stivell, toen nog niet beroemd, speelde daar op zijn Keltische harp, de vissers zongen er Bretonse liederen. Dat is mijn muzikale basis. Als kind kreeg ik bovendien al jong muziekles.
Die Frans-Bretonse erfenis zie je terug bij de zingende oesterman. De chansons en ‘les huîtres’, de oesters, vormen een harmonieuze combinatie, die ik verder heb uitgebouwd. Sinds kort heb ik een eigen bedrijf. Moment Suprême: klank-spijs concepten.

Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Een avondvullend meergangen-diner met muziek, ter plekke bereid bij mensen thuis of op een andere locatie. Iedere gang voorzie ik van een bijpassend lied. Muziek, gerechten en dranken kunnen elkaar versterken, waardoor je met meer aandacht geniet. Met de combinatie koken en kleinkunst ben ik, denk ik, redelijk uniek. Ik creëer koestermomenten, wil mensen een onvergetelijke herinnering bezorgen.

Wat drijft jou? Wat maakt musiceren, acteren en koken zo de moeite waard?

Ik ben een pleaser, vind het fijn om het mensen naar de zin te maken. Of ik nu voor ze zing of voor ze kook. Ik word oprecht blij als ik zie dat mensen genieten van een avond uit. Gastvrijheid heb ik van thuis meegekregen, mijn ouders waren heel sociaal, ontfermden zich over mensen. Zo namen ze eens een Engelse lifter mee in de auto. En naar huis. Die heeft uiteindelijk een jaar bij ons op zolder gewoond.
Daarnaast houd ik zelf erg van lekker eten en drinken. Een levensgenieter? Dat denk ik wel ja.
PASPOORT
Jan Willem van Opstal (Breda, 1965), doorliep na zijn jeugd in Frankrijk de middelbare school in Breda. In die tijd schreef hij een musical voor het jongerenkoor waarin hij zong en op zijn zestiende maakte hij zijn eerste clownsvoorstelling.
Hij pendelde als muzikant veel tussen Frankrijk en Nederland en deed internationale tournees met commedia dell’arte groep ‘il Popolo’ en diverse andere groepen.
commedia dell’arte groep ‘il Popolo’ en diverse andere groepen.
Vanaf 1986 treedt hij op als middeleeuws troubadour.
Hij was in de jaren ’90 de grondlegger van Upside Down Produkties, een impresariaat voor ‘ambulant vermaak op maat’, met troubadours, goochelaars, narren, waarzegsters, vuurspuwers en andere animatoren.
In 1998 kwam zijn eerste cd uit, Moment Suprême. Later volgden er meer.
Later volgden er meer.
In 2012 en 2013 trok hij langs theaters met zijn zelfgeschreven programma ‘Ontroerend Goed’.
Verder acteerde hij in bedrijfsfilms, educatieve films, commercials en een speelfilm.
Sinds enkele jaren brengt hij zingend de oester onder de aandacht van een groter publiek. Vanaf juli 2019 verzorgt hij ‘klank-spijs concepten’. Daarnaast werkt hij als projectleider en programmeur in het Wintercafé van Cultuurpodium Groene Engel in Oss.

Nieuwsbrief

Klik hier om de nieuwsbrief in uw browser te lezen.
Delen mag 😉

Consequent zijn

twit linkedIn instagram facebook pintrest G+

Ooit beloofde ik mezelf te stoppen met optreden zodra ik het niet meer leuk vond om te doen. Natuurlijk was ook toen niet iedere dag het feest dat het voor de buitenwereld misschien leek te zijn. Maar het gevreesde moment is nooit gekomen. Om hele andere redenen is er een soort van, misschien tijdelijk, einde aan mijn artistieke carrière gekomen. Tijdens mijn loopbaan als theatermaker en muzikant ging ik echter zelden of nooit met lood in mijn schoenen, of zelfs met tegenzin naar mijn werk. Het was een strijd, en soms vechten tegen de bierkaai. Het had wel wat van Don Quichote’s gevecht met de windmolens. Maar ik wist zeker dat ik deze strijd iedere dag ging winnen. Vaak was het wel frustrerend. Ik gebruikte vaak de metafoor van de cadeaus. Alsof je ergens aan komt met heel veel mooie subtiele kleine ingepakte cadeautjes waar je je ziel en zaligheid hebt ingelegd. Het publiek ziet deze mooie pakjes helaas nogal eens over het hoofd en pakt alleen de in het oog springende grote doos met rode strik uit. Je zelfgeschreven melodieën en teksten interesseert een groot deel van het publiek geen moer. Ze willen lallen, mee schreeuwen en het liefst met nummers die ze al kennen.

En toch wist ik in dat vak mijn weg te vinden, en haast ieder publiek tevreden te stellen zonder er zelf aan onderdoor te gaan. Zelfs het publiek dat vroeg om “Malle Babbe” en “Hazes” vermaakte ik en wist ik naar tevredenheid op maat te bedienen, zonder te veel concessies te hoeven doen.

Nu is het anders, ik merk dat ik me in een systeem bevind waarin ik me verre van thuis voel. Ik heb nu geen invloed op de windmolens. Natuurlijk is het als kok ook zo dat je publiek, de gasten, lang niet altijd aandacht hebben voor je product. Naar het schijnt weten mensen regelmatig achteraf niet of ze vlees of vis hebben gegeten. Laat staan dat ze dan weten wat voor vlees of wat voor vis. En gelukkig zijn er ook mensen die wel heel bewust proeven en genieten van hun maaltijd.

Mijn probleem momenteel is veeleer dat het aan me vreet dat ik meewerk aan iets waar ik principieel op tegen ben en ik zie het er niet van komen dat ik binnen dit concept kan vinden wat ik zoek. Zoals altijd is het geven en nemen. Ik wil een vak leren. Dat doe ik deels op school, en deels in de praktijk. Omdat ik nog geen zelfstandig werkend kok ben, krijg ik minder betaald en als wederdienst verwacht ik coaching en sturing.

Met de chef met wie ik mijn sollicitatiegesprek had, had ik direct een klik. Hij snapte wat ik wilde en kon mij de sturing bieden die ik behoef om, dat wat ik tijdens mijn opleiding leer, in praktijk te kunnen brengen. Ik had hem ook duidelijk aangegeven dat ik niet alleen maar koud wilde staan, maar me met name op de warme kant wil richten. Ook omdat ik nu bezig ben met de module streekgerechten en omdat ik bij mijn vorige baan niet of nauwelijks aan de Roti kant heb gewerkt.

Helaas begon deze chef aan een nieuwe uitdaging bij een ander restaurant, waar hij kon gaan samenwerken met een sterrenchef. Zijn opvolger was net voor het eerst tot chefkok gepromoveerd en kon op ieder moment vader worden. Ook kampte hij met een enorm personeelstekort en werkte ik zodoende steeds met invalkrachten en had hij veel moeite om het rooster ingevuld te krijgen. Begrijpelijkerwijs lag zijn focus niet erg op mijn begeleiding. De zojuist tot souschef gebombardeerde andere kok was iemand die het heel druk had met het zichzelf er van overtuigen dat hij dit kon. Een persoon waarmee ik echt geen klik had. Bij zo’n beetje alles wat hij deed dacht ik eigenlijk, zo kan het ook, maar zo hoort het niet. Ik heb denk ik zelden zo schaapachtig uit mijn ogen gekeken als toen ik als antwoord op een vraag naar een bereidingswijze kreeg te horen dat hij dat niet wist, hij stond immers zelden `garde` en dat ik dat maar moest googelen.

Het lijkt er meer op dat ik, onder het voorwendsel dat ik de dingen die ik wilde leren kon leren, een goedkope werknemer ben, die er voor moet zorgen dat er een product, ver beneden de kostprijs, kan worden geleverd. Uiteindelijk heb ik alleen de eerste twee dagen warm gestaan en is er verder niets terecht gekomen van de gemaakte afspraken.

Ik kan niet zeggen dat ik niets geleerd heb in de drie restaurants waarin ik heb gewerkt. Ik heb af en toe zelfs iets, wat ik op school geleerd heb, in praktijk kunnen brengen. Meestal dan wel net even anders omdat het anders veel te duur wordt, of te lang duurt. Verder heb ik vooral goed geleerd hoe het naar mijn idee niet moet; wat ik niet wil doen en hoe je niet met mensen, werknemers en collega’s hoort om te gaan.

Het is naar mijn idee onvermijdelijk om op een bepaalde manier te werk te gaan als je met beperkte middelen een product van een bepaald niveau wilt leveren. Ik zeg niet dat er verkeerd gewerkt word. Het is een duidelijke keuze. Het merendeel van de gasten wil zo veel mogelijk krijgen en zo weinig mogelijk betalen. Dit wordt nog eens versterkt door alle prijsvechters als de hotelbon, social deal, vakantieveiling, etc. Er is een behoefte waarin wordt voorzien. Vraag en aanbod. Mac Donalds, Van der Valk, en alle daar op lijkende bedrijven, zijn hiervan het levende bewijs.
Dat laat echter onverlet dat ik daar geen deel van wil uitmaken. Ik pas daar niet bij. Of andersom; het past niet bij mij.

Ik heb gedacht dat ik onder aan de ladder moest beginnen. Ook vond ik dat ik onbevooroordeeld moest zijn. Pas een oordeel vellen als ik het zelf heb beleefd. Ik heb echter onderschat wat het met me zou doen, onderdeel uit te maken van een systeem waar ik principieel op tegen ben.

Na zelfstandig ondernemer te zijn geweest, blijft het lastig om samen te werken met mensen die op een bepaalde manier werknemer zijn. Ik heb in heel veel soorten werk gewerkt met heel veel verschillende soorten mensen en altijd was er meer dat ons bond dan dat ons scheidde. Dit keer dus niet.
Kortom ik pas niet bij het soort onderneming èn niet bij het soort werknemers.

Zoals de titel van dit blog waarschijnlijk al deed vermoeden heb ik gemeend consequenties te moeten verbinden aan bovengestelde conclusies. Ik heb dan ook mijn manager gemaild met de boodschap dat ik mijn dienstbetrekking wens te verbreken.

Inmiddels heb ik met hem en een interim chef om de tafel gezetten en zijn we het er, mede wegens boven vernoemde zaken, over eens geworden dat de arbeidsovereenkomst zo snel mogelijk beëindigd moet worden.

Ik wilde, ondanks de afschuwelijke werksfeer, nog doorwerken tot bijna het einde van de maand, zodat ze voldoende tijd hadden om de roosterproblemen op te lossen, maar mijn lijf hield er mee op. Het lijkt wel of mijn lijf aan de noodrem trok.
Hierover later meer.